De ontwikkelingen van de schouderprothese

Een patiënt die ’s nachts wakker ligt van de pijn. Die ’s ochtends met moeite op gang komt. Of iemand die zijn arm simpelweg niet meer goed omhoog krijgt. Het zijn herkenbare klachten voor iedereen die met schouderproblematiek te maken heeft. Voor orthopedisch chirurg Kasper Bernardt zijn dit dagelijks terugkerende hulpvragen.

“We kunnen tegenwoordig veel beter voorspellen wat we tegenkomen”

“De meeste patiënten die bij ons komen, hebben pijn die hun functioneren echt beperkt,” vertelt hij. “Soms gaat het om artrose, maar we zien ook regelmatig mensen met afgescheurde pezen of na een schouderfractuur.” Wat opvalt: patiënten lopen soms lang door met klachten. Regelmatig speelt het idee mee dat een operatie aan de schouder niet mogelijk is — of dat het op latere leeftijd ‘toch niet meer kan’. “Dat beeld klopt niet,” zegt Bernardt.

Juist daarin is de behandeling de afgelopen jaren veranderd. Dankzij geavanceerde beeldvorming en digitale 3D-planning kunnen orthopedisch chirurgen vooraf veel beter inschatten wat ze tijdens een operatie zullen aantreffen en welke behandeling voor die specifieke patiënt het meest geschikt is.

Eerst alles zonder operatie – maar wel bewust kiezen

De behandeling begint vrijwel altijd zonder operatie. Fysiotherapie, pijnstilling of eventueel een injectie vormen meestal de eerste stap. “En terecht,” benadrukt Bernardt. “Veel mensen hebben daar baat bij. Zeker injecties kunnen soms meer doen dan alleen pijn tijdelijk onderdrukken. Doordat iemand even minder pijn heeft, gaat hij weer beter bewegen. Dat kan een blijvend effect hebben.” Tegelijkertijd is er ook een kantelpunt. Wanneer pijn blijft domineren en het dagelijks functioneren achteruitgaat, komt de vraag naar een operatieve oplossing in beeld. “Het is niet zo dat iedereen geopereerd moet worden,” zegt hij. “Maar het is wél belangrijk dat we op tijd met elkaar bespreken wat de mogelijkheden zijn.”

"Voor mij begint de operatie eigenlijk al achter de computer. Nog voordat de patiënt op de OK ligt."

Kasper Bernardt

Een schouder is geen knie

De schouder vraagt om een zorgvuldige, individuele benadering. “Het is een gewricht met enorme variatie in slijtage - dat is echt anders dan bij een knie of heup, waar de aandoeningen vaak meer op elkaar lijken,” legt Bernardt uit. “Met name de schouderkom kan op heel verschillende manieren aangetast zijn. Dat zie je niet altijd goed op een standaard röntgenfoto.” Daarom wordt tegenwoordig gewerkt met een CT-scan en digitale 3D-planning.

“Voor mij begint de operatie eigenlijk al achter de computer,” zegt hij. “Ik kan vooraf exact zien waar het bot is afgesleten, hoe de stand is en waar ik mijn prothese idealiter wil plaatsen. Daarmee voorkom je verrassingen tijdens de operatie.” Hij vergelijkt het met topsport:
“Het is een beetje zoals een skiër die een afdaling visualiseert voordat hij start. Je hebt het traject al meerdere keren doorlopen.” Die voorbereiding maakt het mogelijk om de operatie nauwkeuriger te plannen en voor iedere patiënt een passende aanpak te kiezen.

Maatwerk tot op het botniveau

De planning blijft niet beperkt tot het kiezen van een prothese. Het gaat verder dan dat. “Soms zie je vooraf al dat een standaardoplossing niet voldoende is,” vertelt Bernardt. “Dan moet je bijvoorbeeld bot opbouwen om goede fixatie te krijgen.” Opvallend genoeg komt dat materiaal vaak gewoon van de patiënt zelf. “Tijdens de operatie verwijderen we een deel van de schouderkop. Dat bot kun je vervolgens gebruiken om defecten op te vullen. Bij langdurige slijtage past dat soms verrassend goed.”

In de meest complexe gevallen wordt nog een stap verder gegaan, met patiëntspecifieke 3D-mallen uit Amerika. “Dat is echt voor de uitzonderingen, bijvoorbeeld bij grote botdefecten. In het merendeel van de gevallen is de digitale planning voldoende.”

Een veranderend perspectief op protheses

Ook het beeld van de schouderprothese zelf is veranderd. “Veel mensen denken nog dat een prothese maar één keer geplaatst kan worden,” zegt Bernardt. “Dat idee is inmiddels achterhaald. De kwaliteit van implantaten en operatietechnieken is sterk verbeterd. De levensduur is toegenomen en revisies zijn mogelijk, al hebben we die gelukkig steeds minder vaak nodig.”

Wanneer is het tijd om verder te kijken?

Voor verwijzers zit daar misschien wel de belangrijkste winst. Niet omdat iedere patiënt met schouderartrose een prothese nodig heeft, maar omdat de mogelijkheden de afgelopen jaren sterk zijn veranderd.

“De vraag is niet alleen óf iemand geopereerd kan worden,” besluit Bernardt. “Veel belangrijker is wat iemand ermee opschiet. Dankzij de voorbereiding kunnen we dat tegenwoordig veel beter inschatten dan vroeger. Daarom is het belangrijk dat patiënten met aanhoudende schouderklachten niet onnodig lang blijven doorlopen, maar op tijd samen bekijken welke behandeling het meeste perspectief biedt.”